3 oktober 2008
De jaren hadden hem geen avontuurlijk leven geschonken. Grotendeels was het natuurlijk zijn eigen schuld. Zijn leven was saai. Sinds ongeveer tien jaar was hij het huis van zijn ouders ontvlucht en woonde hij in een kleine woning in een flat aan de rand van de stad. Zelfs bij de verhuizing kon hij zich niet onttrekken aan de dictatuur van zijn ouders. Voor dat hij het wist had zijn moeder bij de HEMA al zijn gordijnen, handdoeken en theedoeken uitgezocht. Ze had zelfs aan twee bijpassende washandjes gedacht.
Zijn vader had graag gezien dat hij de familiezaak zou overnemen; een ijzerhandel. Al jaren was de winkel in handen van de familie. De vader vond dat de zaak van hem moest worden ook al vond hij hem eigenlijk niet geschikt.
“Het enige waar die jongen mee bezig is, is het fucking circus. Word dan godverdomme zelf een clown.”
Het was niet makkelijk. Niet aan de verwachtingen van je vader voldoen, de waanzin van je moeder weerstaan en daarnaast niet bepaald de meest extraverte persoon van het westelijk halfrond te zijn. Het enige waar hij enthousiast van kon worden was het circus. Daar lag zijn passie.
Tien jaar later woonde hij nog steeds in dezelfde flat. Elke dag om acht uur ’s ochtends reed hij met zijn Daihatsu naar zijn kantoorbaan en ’s middags reed hij weer terug. Thuis aangekomen at hij voor de tv een magnetronmaaltijd, bezocht enkele websites, keek nog wat tv in bed en ging slapen. Zo ongeveer verliep zijn week. Elke week. Week in, week uit.
Maar niet deze week. Deze week zou heel anders worden. Het avontuur was stiekem zijn leven binnen geslopen. Twee weken geleden lag de enveloppe op de mat. Een brief van Circus Monthly, een gerenommeerd blad in de circus-scene. You’ve won. Hij heeft gewonnen. Een week op safari in Kenya. Alle kosten gedekt.
Zijn gedachten gingen meteen terug naar al zijn bezoekjes aan het circus. Hoe vaak was hij wel niet, in zijn eentje, dat wel, naar het circus geweest. Met grote ogen op de piste gefocust zat hij op een houten bank genageld te kijken naar alle nummers die langskwamen. De trapezeact, de jongleurs, de clowns. Toch zat hij altijd smachtend te wachten op het olifantennummer. Daar ging zijn hard sneller van kloppen. De pracht van die kolossale beesten heeft hij nooit helemaal kunnen bevatten. Een olifant straalt enigszins iets liefs en aaibaars uit, met zijn onschuldige snuit, maar tegelijkertijd is hij de Koning van Afrika en zal hij zijn slagtanden en gigantische poten gebruiken om zichzelf en zijn kroost te beschermen.
Op de luchthaven en in het vliegtuig leert hij zijn medereizigers kennen. Een leraar Duits, twee gezinnen met puberkinderen, een tandartsassistente en nog een paar stelletjes. Eigenlijk doen de mensen hem weinig. Vrijwel de gehele reis tuurt hij uit het kleine raampje om te kijken of hij Afrika al kan zien en na bijna een dag reizen zet hij voor het eerst voet op de Afrikaanse savanne. Het leefgebied van zijn olifant. Zijn voorzichtigheid valt als een kuisheidsgordel van hem af en wil het liefst meteen de savanne oprennen, de olifanten omarmen. Zijn geduld word echter nog een nachtje op de proef gesteld; het is al te laat, morgenochtend vroeg gaan ze op pad.
Met de hele groep vertrekken ze vlak na zonsopgang in twee jeeps voor een tocht over de savanne. De adrenaline pompt door zijn lichaam en hij voelt zich voor het eerst in 15 jaar weer een beetje levend. Dit is het leven. Avontuur, op safari. Hij geniet met volle teugen.
Na een paar uur rijden is het tijd voor een pauze en een kleine versnapering. De groep neemt plaats in de schaduw naast een groepje bosjes en bomen. Er wordt druk gepraat over de giraffes en leeuwen die ze zagen en hoe mooi het hier is.
In alle drukte zondert hij zich een beetje af. Dit is een moment voor hemzelf. Hij besluit om een rondje te lopen om zo alles op een rijtje te zetten, als hij over een kwartiertje maar terug is.
Tijdens het rondlopen houdt hij de groep goed in de gaten. De groep heeft echter geen aandacht voor hem, ze zijn te druk met ervaringen delen. Terwijl hij deze gedachten door zijn hoofd laat gaan, hoort hij in de verte een jankend gekreun. Het is heel zacht, maar duidelijk genoeg om te horen dat het een klagend geluid is. Hij probeert te bepalen waar het geluid vandaan komt en zoekt de horizon af. Naar mate hij zich meer concentreert op het geluid wordt het gekreun ook duidelijker. In de verte ziet hij een paar bosjes licht schudden. Hij kijkt nog een keer achterom naar de groep en doet langzaam steeds meer stappen in de richting van de bosjes. Hij kan zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en wil voor een keer in zijn leven het avontuur aangaan. Tijdens de sluippas naar de bosjes blijft hij steeds even achterom kijken. Na een paar honderd meter bereikt hij de bosjes, alleen hoort hij nu opeens niets meer. Verbeelding? Had het enthousiasme hem beet genomen? Het sloeg ook nergens op, wat kan er nou zo kreunend in de bosjes liggen?
Hij besluit om aan alle onzekerheid een eind te maken en terwijl hij een paar takken opzij zwiept loopt hij door de bosjes.
En daar, in de schaduw van de bomen, ligt een gigantische grijze olifant te kermen van de pijn. Het doet pijn aan zijn oren. En aan zijn hart. De olifant heeft in zijn voorpoot een gigantische doorn zitten. Het heeft meer weg van een tak, maar in verhouding met de olifant is het een vervelend stukje hout wat in zijn ronde platte poot steekt. Het is duidelijk dat het de olifant niet lekker zit.
Overdonderd door dit schouwspel maar tegelijkertijd instinctief loopt hij met muizenstapjes richting de olifant. De olifant begin steeds raardere geluiden te maken maar hij blijft langzaam naar hem toe lopen terwijl hij geruststellende geluiden en woorden maakt. Hij probeert de olifant aan te kijken om zo het vertrouwen te winnen en na een paar minuten volhouden staat hij naast het beest. Liefkozend geeft hij de olifant een paar aaien over zijn slurf. Het gekreun neemt in geluid af en de olifant geeft op een bepaalde manier toestemming. Ze voelen elkaar gek genoeg aan.
Hij knikt naar de olifant en gaat op zijn knieën naast de gigantische poot zitten. Hij kijkt nog een keer naar zijn nieuwe vriend en de olifant geeft hem een tikje op zijn schouder met de slurf. Met al zijn kracht probeert hij het stuk hout uit de poot te trekken en met veel geschreeuw en gejank lukt het om de doorn er uit te krijgen.
De olifant is in alle staten en binnen no time staat de olifant weer op alle poten. Van geluk tettert de olifant vol bravoure een lofzang met zijn slurf. Voor het eerst beseft hij hoe gevaarlijk het eigenlijk is wat hij aan het doen is. Nu hij de olifant in al zijn pracht aanschouwt ziet hij hoe groot dit dier wel niet is. Langzaam krabbelt hij achteruit terwijl hij de olifant in de gaten houdt, maar de olifant komt steeds dichterbij. De olifant geeft hem kleine tikjes met zijn slurf en er komen lieve trompetgeluidjes uit. Verstijft van de angst blijft hij zitten en de olifant komt nog dichterbij het kleine mensenlichaam. De gigantische kop van het beest nadert nu tot een halve meter en aan weerszijde ziet hij een grote marmeren slagtand. De olifant maakt bewegingen met zijn hoofd die moeten aansporen tot iets. Hij begrijpt het eerst niet, maar pakt dan met elke hand een slagtand vast en met een plotselinge schokbeweging schiet de olifant hem met drie salto’s achterover op de grote rug van het beest. De olifant schettert het uit van plezier en banjert de bosjes uit. In een flink tempo raast de olifant de savanne op.
Er volgt een week van ongekend plezier. De olifant laat hem de meest prachtige plekjes van Afrika zien, ’s nachts kamperen ze samen onder een boom, overdag spuit de olifant met zijn slurf water over hem heen terwijl hij op zijn rug zit en ze leren elkaar gewoon heel goed kennen. Ook al kunnen ze elkaar niet verstaan, als hij ’s avonds welterusten zegt, tettert de olifant heel zachtjes iets terug. Er ontstaat een echte vriendschap en ze hebben de tijd van hun leven.
Maar, zoals het spreekwoord al zegt; er is een tijd van komen en een tijd van gaan, en helaas, het was tijd om naar huis te gaan. Na een emotioneel afscheid voegde hij zich bij de groep op het vliegveld en werd de reis terug naar huis aangevangen.
Eenmaal thuis valt het hem zwaar. Hij mistte de olifant eigenlijk al op het moment dat ze afscheid namen en het enige wat hij nu nog heeft, is de foto op de schouw waar hij elke dag even naar kijkt voordat hij de deur uit gaat. Zijn leven is donker en eigenlijk is het nu nog zinlozer dan het al was.
Maar na enkele intensieve therapeutische sessies met een psycholoog krabbelt hij uit het dal en besluit om dat avontuur een plekje te geven om zo door te kunnen gaan met zijn leven. Hij leert om het realistisch te bekijken en te bedenken dat het erg mooi was, maar nooit meer terug komt. Het sterkend hem in zijn dagelijkse bezigheden en ook op zijn werk komt hij beter voor zichzelf op.
Zijn leven gaat vrolijker door ook al mist hij het nog elke dag.
De jaren verstrijken, tot de dag dat het circus weer na lange tijd in de stad is. Na een grote terugname in het aantal circusoptredens de afgelopen jaren (dierenbelangenorganisaties hebben stevige campagnes gevoerd tegen de leefomstandigheden van circusdieren) begint de branche nu weer op te bloeien. Vol met vreugde koopt hij natuurlijk kaartjes en na een paar weken wachten gaat hij ,voor het eerst met zijn nieuwe vriendin, samen naar de grote tent op het parkeerterrein vlakbij zijn huis. Vol spanning en met een lekkere bak popcorn wachten ze samen op alle mooie nummers die langs gaan komen maar zodra het begint valt alles van hem af. Hij verliest zelfs zijn vriendin uit het oog. Hij is puur gefocust op de piste. Alles komt langs; acrobaten, messenwerpers, degenslikkers, vuurspuwers, trapezeartiesten en de leeuwentemmers. Maar de grote finale moet nog komen. Het olifantennummer. Met grote aankondiging komen drie olifanten de piste op en maken er een prachtige show van. Bijna aan het eind van de show verdwijnen er twee olifanten naar achteren en blijft er een eentje over voor een speciaal slotnummer. Deze olifant kan namelijk een vrijwilliger uit het publiek met zijn slagtanden de rug op zwiepen.
Zijn hart stopt eventjes met kloppen. Kippenvel maakt zich meester over zijn armen. Zijn ogen heeft hij automatisch dicht gedaan maar hij kan het niet laten. Hij opent zijn ogen en zoekt naar de olifant. De olifant staat inmiddels met de kop naar hem toegedraaid en ze vinden elkaar met de ogen. Vol ongeloof kijkt hij de olifant aan. De olifant kijkt hem aan. Alles klopt, zelfs de donkerbruine vlek boven zijn rechteroog. Dit kan niet waar zijn, denkt hij. Ze blijven elkaar een halve minuut aankijken terwijl het publiek helemaal stil valt. De olifant gaat op zijn achterste poten staan en uit de slurf komt een oorverdovend geluid. Vanaf de tribune springt hij van bank naar bank zo snel mogelijk naar beneden de piste op waar de olifant in alle staten staat te tetteren. Ze hebben elkaar gevonden! En terwijl hij vol verdriet, geluk, liefde en ongeloof de piste opgaat, helt de olifant nog meer achterover, tettert nog een keer vol overgave en trapt hem dan helemaal kapot met zijn twee voorpoten tot er helemaal niets meer over is van het mensenlichaam.
Bleek het hem tóch niet te zijn.

